Nieuwsbrief artikel bekijken

Cijfers soa 2006

Het Ministerie van VWS rapporteerde de volgende cijfers over aantallen soa in 2006 aan de Tweede kamer.
Uit de tussentijdse landelijke soa-cijfers over 2006 van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) blijkt dat het percentage mensen dat positief getest is voor een seksueel overdraagbare aandoening (soa) bij GGD’en en soa-poliklinieken niet meer toeneemt. Het absolute aantal aangetroffen soa’s blijft echter hoog. Het aantal mensen dat zich vorig jaar liet testen op een soa bij de GGD’en is met 10% toegenomen ten opzichte van 2005 tot 69 000. Het absolute aantal gevonden soa’s is daardoor dus wel iets toegenomen. Een derde van degenen die in 2006 onderzocht werd, was jonger dan 25 jaar, iets meer dan de helft was man. Ruim een kwart van de bezoekers waren mannen die seks hebben met mannen (MSM). Dit is vergelijkbaar met eerdere jaren. Een ontwikkeling naar leeftijd voor 2006 is op dit moment nog niet te geven, het jaarrapport van het RIVM is nog niet gereed. De verwachting is overigens dat de verdeling naar leeftijd per ziekte in 2006 niet zeer zal afwijken van de gegevens uit 2005.

Algemeen
Zowel bij MSM als bij heteroseksuelen zijn vergelijkbare trends te zien. Voor syfilis en hiv is zowel het absolute aantal infecties als het percentage Tweede Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 31 031 XVI, nr. 5 41 mensen dat positief is getest afgenomen. Bij chlamydia en gonorroe nam het aantal infecties toe, maar het percentage mensen dat positief is getest was min of meer stabiel.

Chlamydia
Chlamydia was de meest voorkomende soa in 2006, zowel bij mannen als bij vrouwen (7075 diagnoses). Het absolute aantal gevallen van chlamydia nam toe met 18% ten opzichte van 2005. Chlamydia kwam het meest voor bij heteroseksuele personen, bij hen was de toename in aantal 18%. Bij MSM steeg het aantal chlamydia gevallen met 17%. De procentuele stijging van chlamydia is zowel voor MSM als heteroseksuele mannen en vrouwen heel licht gestegen. Over de lange termijn is er nog wel een stijging te zien in absolute aantallen, maar lijkt de trend vanaf 2005 bij MSM en heteroseksuele mannen in percentage positieven te stabiliseren. Chlamydia komt bij MSM het meest voor tussen de 25 en 39 jaar, bij heteroseksuele mannen tussen de 15 en 29 jaar en bij heteroseksuele vrouwen tussen de 15 en 24 jaar.

Hepatitis B
Het aantal acute infecties is in vergelijking met 2005 afgenomen met 25% (240 gevallen in 2006). De meest gerapporteerde transmissieroutes zijn door homoseksueel (32%) en heteroseksueel (32%) contact. In 2006 was in vergelijking met 2005 een daling te zien van zowel het aantal besmettingen door homoseksueel contact (– 25%), als door heteroseksueel contact (– 10%).
 
Gonorroe
Het percentage positief bij MSM daalde van 10,8 % naar 10,2%. Bij heterosexuelen daalde van 10,6% naar 10,4%. In beide groepen is het percentage stabiel gebleven tot licht gedaald sinds 2004.
 
Syfilis
Het percentage positief van Syfilis is voor zowel heteroseksuelen als MSM in 2006 verder gedaald.
 
HIV
De cijfers van 2006 van de soa-poli’s laten zien dat er een einde lijkt te komen aan de stijging in hiv onder met name MSM (zowel absoluut als percentage positief). Het percentage positief in 2006 daalde voor zowel heteroseksuelen als homoseksuelen. Tot 2005 was er een stijging te zien in het absolute aantal hiv gevallen en percentage positieven. Het is nog niet bekend of de daling in het percentage mensen waarbij een hiv-infectie werd gevonden bij de soa-centra ook zichtbaar zal zijn in de landelijke registratie van de Stichting Hiv Monitoring (SHM). Deze stichting registreert gegevens van mensen met hiv die zijn ingeschreven bij een hiv-behandelcentrum. Op 1 maart 2007 waren er 12 837 hiv geïnfecteerde personen geregistreerd door de behandelcentra en de SHM. In 2005 werden 1076 personen met hiv gediagnosticeerd geregistreerd en in 2006 zijn dit er vooralsnog 750, maar dit aantal zal naar verwachting nog toenemen door rapportage vertraging. Het aandeel MSM lijkt toe te nemen en het aandeel heteroseksuelen lijkt af te nemen.
De cijfers hier gepresenteerd zijn cijfers van GGD-en/soa-poli’s. Onbekend is hoeveel mensen zich met welke soa zich bij hun huisarts melden. Het is lastig te bepalen in hoeverre deze cijfers iets zeggen in over de situatie in zijn geheel. De surveillance bij huisartsen wordt nader ontwikkeld. Voor HIV gediagnosticeerden geldt dat zij in principe allen bekend zijn bij de Stichting Hiv Monitoring. 

Of het beleid van VWS effectief is, is lastig aan te geven. Wel is duidelijk dat meer mensen zich laten testen op de soa-poli’s. Deze poli’s zijn ingezet om een laagdrempelige testvoorziening te creëren en dit lijkt dus gelukt. Ook is het vindpercentage van deze poli’s gestegen, wat betekent dat zij in staat blijken risicogroepen te bereiken. Ook zijn de effecten van de jaarlijkse veilig vrijen campagne zijn in 2006 onderzocht door de rijksvoorlichtingsdienst en TNS NIPO. Bij de doelgroep van de campagne zijn gunstige effecten gemeten zowel ten aanzien van kennis en houding maar ook ten aanzien van de gedragsintentie.
Er zijn geen aanwijzingen dat de afgelopen jaren door jongeren, maar ook niet-jongeren meer onveilig is gevreeën. Bijvoorbeeld, het onderzoek «Seks onder je 25e» heeft uitgewezen dat er bij jongeren sprake is van een sterke verbetering in het anticonceptiegebruik en soa-preventief gedrag bij de eerste geslachtsgemeenschap ten opzichte van het jaar 1995. Het percentage dat aan «Double Dutch» doet is gestegen van 24% naar 37%.
Het percentage jongeren dat bij de laatste geslachtsgemeenschap een condoom gebruikte is 47% (in 1995 was dit 42%).